Vereniging van universiteiten
Lange Houtstraat 2
Postbus 13739
2501 ES Den Haag
T: 070-3021400
E: post@vsnu.nl
De inkomsten van de universiteiten zijn onder te verdelen in drie geldstromen. Zo is er een geldstroom die de baten van de NWO en de KNAW voor onderzoek omvat, en een geldstroom die bestaat uit overige inkomsten, waaronder inkomsten uit contractonderwijs en contractonderzoek, ontvangen collectebusfondsen, diverse Europese subsidies.
Hieronder volgt meer informatie over de geldstroom betreffende de gelden die de universiteiten rechtstreeks krijgt uitkeert van de overheid, en tevens de wettelijke collegegelden omvat.
Deze wordt ook wel de rijksbijdrage genoemd.
De rijksbijdrage bevat een onderzoekdeel en een onderwijsdeel. Het onderwijsdeel is weer onder te verdelen naar een algemeen budget en een specifiek deel gereserveerd voor een viertal medische opleidingen: tandheelkunde, geneeskunde, diergeneeskunde en klinische technologie.
Deze bedragen zijn herleid uit de jaarlijkse definitieve begrotingsbrieven van het Ministerie van OCW en voor wat betreft de Wageningen Universiteit en Researchcentrum van het Ministerie van LNV. De bedragen worden jaarlijks gecorrigeerd naar de ontwikkeling van het loon- en prijspeil. Voor deze correctie is gebruik gemaakt van de Macro Economische Verkenning en wel de grootheden: contractloon ontwikkeling marktsector en het afgeleide consumentenprijsindexcijfer. Het gebeurt echter regelmatig dat compensatie lager is dan de feitelijke ontwikkeling van het loon- en prijspeil in Nederland.
Ontwikkeling rijksbijdrage voor onderwijs, onderzoek en werkplaatsfunctie
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | |
| Rijksbijdrage totaal | Onderwijsdeel | Onderzoekdeel | Werkplaatsfunctie medische opleidingen | Index(1) | Index (2) | Index (3) | |
| 1995 | 2.859.633 | 1.026.490 | 1.811.041 | 22.102 | 96% | 90% | 110% |
| 1996 | 2.890.072 | 993.630 | 1.874.260 | 22.182 | 97% | 87% | 114% |
| 1997 | 2.797.335 | 974.013 | 1.801.248 | 22.073 | 94% | 86% | 109% |
| 1998 | 2.810.490 | 962.268 | 1.826.183 | 22.039 | 94% | 85% | 111% |
| 1999 | 2.853.516 | 984.309 | 1.846.720 | 22.487 | 96% | 87% | 112% |
| 2000 | 2.839.101 | 975.938 | 1.819.141 | 44.021 | 95% | 86% | 110% |
| 2001 | 2.909.430 | 1.037.879 | 1.812.748 | 58.803 | 98% | 91% | 110% |
| 2002 | 2.902.488 | 1.036.623 | 1.789.245 | 76.620 | 98% | 91% | 109% |
| 2003 | 2.871.206 | 1.025.416 | 1.751.620 | 94.170 | 97% | 90% | 106% |
| 2004 | 2.841.795 | 1.043.805 | 1.690.123 | 107.867 | 96% | 92% | 103% |
| 2005 | 2.926.216 | 1.086.341 | 1.698.612 | 141.263 | 98% | 96% | 103% |
| 2006 | 2.953.688 | 1.131.630 | 1.655.191 | 166.867 | 99% | 100% | 100% |
| 2007 | 2.974.736 | 1.135.980 | 1.647.813 | 190.943 | 100% | 100% | 100% |
Bron: CFI en LNV
Bedragen in loon-en prijspeil 2007 en in €1.000. De bedragen zijn exclusief het rijksbijdragedeel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek, de Open Universiteit, IHS, ISS, ITC, Maastricht School of Management, Vijverdal/Valerius.
In de tabel is een overzicht gegeven van de ontwikkeling van de eerste geldstroom voor universiteiten. Alhoewel de totale rijksbijdrage in 2007 ten opzichte van 1995 met 4% (ongeveer €100 miljoen) is gestegen, blijft deze stijging ver achter bij de stijging in studentenaantallen die met 20% zijn gestegen (zie tabel link 1.3).
Het onderwijsdeel (inclusief het deel voor de werkplaatsfunctie van de medische opleidingen) stijgt met ruim €278 miljoen ten opzichte van 1995. Een groot deel van deze stijging is te wijten aan de toename van de budgetten voor de verhoging van de numerus fixus van geneeskunde, tandheelkunde, diergeneeskunde en klinische technologie. Uitgedrukt in een onderwijsdeel per student zien we een forse daling van 500 euro (zie tabel 1.3).
Het onderzoekdeel is in 2007 ten opzichte van 1995 met meer dan €163 miljoen verlaagd. Dit betekent een daling van bijna 10% ten opzichte van 1995. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de gefaseerde overheveling van M€ 100 naar NWO vanaf 2008.
In de volgende paragraaf worden de diverse bedragen gerelateerd aan de ontwikkeling in studentenaantallen om te laten zien of er sprake is van een reële investering of dat de stijging slechts noodzakelijk is om de gestegen studentenaantallen te kunnen bekostigen.
Ontwikkeling bedragen uitgedrukt per student
| Aantal ingeschreven studenten * | Rijksbijdrage totaal per student ** | Onderwijsdeel per student | Onderzoekdeel per student | |
| 1995 | 176.021 | 16.247 | 5.832 | 10.289 |
| 1996 | 164.615 | 17.557 | 6.036 | 11.386 |
| 1997 | 158.870 | 17.608 | 6.131 | 11.338 |
| 1998 | 158.688 | 17.711 | 6.064 | 11.508 |
| 1999 | 161.108 | 17.712 | 6.110 | 11.463 |
| 2000 | 164.804 | 17.227 | 5.922 | 11.038 |
| 2001 | 171.472 | 16.967 | 6.053 | 10.572 |
| 2002 | 178.555 | 16.255 | 5.806 | 10.021 |
| 2003 | 188.086 | 15.265 | 5.452 | 9.313 |
| 2004 | 198.084 | 14.346 | 5.270 | 8.532 |
| 2005 | 204.426 | 14.314 | 5.314 | 8.309 |
| 2006 | 206.280 | 14.319 | 5.486 | 8.024 |
| 2007 | 211.446 | 14.069 | 5.372 | 7.793 |
Bronnen: CFI, 1-cijfer HO en LNV
Bedragen in 1.000 euro en gecorrigeerd naar loon-prijspeil 2007.
* Aantallen ingeschreven studenten peildatum 1 oktober.
** Bedrag inclusief de bedragen voor werkplaatsfunctie van de medische opleidingen.
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de rijksbijdrage per student de afgelopen jaren sterk is gedaald.
OCW hanteert een andere methode voor berekening van het onderwijsdeel van de rijksbijdrage per student en komt op andere bedragen uit. (Kennis in kaart 2008, figuur 75, p. 129 en Rijksbegroting OCW 2009, tabel 6.7, p. 116.). Na overleg met OCW is geconstateerd dat de verschillen in benadering van de prijs per student duidelijk zijn te traceren en gebaseerd zijn op verschillende benaderingswijze.
Zie ook de brief van de minister en de bijbehorende bijlage:
'Verschillen en overeenkomsten berekening onderwijsuitgaven per student tussen VSNU en OCW'.
Ontwikkeling bedragen in % van BBP
| Bruto binnenlands product | Rijksbijdrage* als percentage van BBP | Onderwijsdeel als percentage van BBP | Onderzoekdeel als percentage van BBP | |
| 1995 | 305,2 | 0,643 | 0,231 | 0,407 |
| 1996 | 319,8 | 0,630 | 0,217 | 0,409 |
| 1997 | 342,2 | 0,585 | 0,204 | 0,377 |
| 1998 | 362,5 | 0,574 | 0,197 | 0,373 |
| 1999 | 386,2 | 0,565 | 0,195 | 0,366 |
| 2000 | 418,0 | 0,543 | 0,187 | 0,348 |
| 2001 | 447,7 | 0,545 | 0,195 | 0,340 |
| 2002 | 465,2 | 0,550 | 0,196 | 0,339 |
| 2003 | 476,9 | 0,551 | 0,197 | 0,336 |
| 2004 | 491,2 | 0,543 | 0,200 | 0,323 |
| 2005 | 513,4 | 0,543 | 0,202 | 0,315 |
| 2006 | 539,9 | 0,532 | 0,204 | 0,298 |
| 2007 | 567,1 | 0,525 | 0,200 | 0,291 |
Bron: CFI, Macro economische verkenning 2008 CPB
Bedragen in miljarden euro’s en in lopende prijzen.
* Dit betreft de totale rijksbijdrage onderzoek en onderwijs (inclusief de budgetten voor werkplaatsfunctie medische opleidingen en exclusief het rijksbijdragedeel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek).
De rijksbijdrage kan ook uitgedrukt worden in een percentage van het BBP in Nederland. Het percentage van de totale rijksbijdrage is in 2007 ten opzichte van 1995 van 0,643% tot 0,525% gedaald. Dit is een procentuele afname van ruim één vijfde. Het onderzoekdeel uitgedrukt als percentage van het BBP daalt het sterkst van 0,407% naar 0,291% . Dit is een afname van ruim een kwart. Het percentage van onderwijsdeel per BBP daalt van 0,231% naar 0,2%. Dit betreft een afname van ruim één achtste.