sluit X

Stuur door naar:

* Naam van de geadresseerde
*, (xx@domain.nl) E-mail adres van de geadresseerde.
Stuur eventueel een opmerking of toelichting mee.

Opbouw eerste geldstroom

In 2006 was de eerste geldstroom voor het onderzoek opgebouwd uit zes componenten. In de strategische overwegingen component (SOC) werd een bedrag van M€ 853,9 verdeeld over de instellingen op basis van hun aandelen in de voorwaardelijke financiering. De voorwaardelijke financiering was een instrument waarbij onderzoeksprogramma’s alleen werden gefinancierd na een toets op kwaliteit. In de overige vijf componenten werden uiteenlopende bedragen verdeeld over de instellingen op basis van geleverde prestaties. In totaal ging dit in 2006 om M€ 562.

compartiment grondslag omvang
stragegische overwegingen component historische prestaties M€ 853,9
basisvoorziening aantallen MA-diploma's M€ 245,9
proefschriften aantallen promoties M€ 175,0
onderzoekscholen aandelen in onderzoekscholen M€ 45,3
toponderzoekscholen aandelen in toponderzoekscholen M€ 45,4
kleine dynamisering aandelen in 2e en 3e geldstroom M€ 49,9

Het aandeel van de SOC in de eerste geldstroom is sinds zijn invoering gestaag gedaald. Daarmee wordt een toenemend deel van de eerste geldstroom verdeeld op basis van actuele prestaties. De tweede en derde geldstroom worden sowieso verdeeld op basis van kwaliteitsoverwegingen.

Functies eerste geldstroom

De eerste geldstroom legt de basis voor het universitaire onderzoek. Met de middelen die daaruit komen, doen de universiteiten tal van zaken.

  • Instandhouding brede kennisbasis. Om hoogwaardig onderwijs te kunnen geven, dienen universiteiten over een breed front vakgebieden in stand te houden. Dit gaat uiteraard gepaard met onderzoek van hoog niveau. Deze brede basis levert de voedingsbodem voor alle activiteiten van universiteiten.
  • Investeringen in infrastructuur. De eerste geldstroom is de enige structurele geldstroom. Daarom worden grote investeringen, inclusief onderhoud, hieruit betaald.
  • Cofinanciering tweede en derde geldstroom. De subsidies uit de tweede en derde geldstroom dekken niet de volledige kosten van onderzoek. De universiteiten passen het verschil tussen de werkelijke kosten en de toegekende subsidies bij uit de eerste geldstroom. De AWT heeft berekend dat universiteiten gemiddeld € 0,84 toevoegen aan elke euro onderzoeksubsidie die zij ontvangen. (Zie AWT, De prijs van succes - Den Haag, 2004).

Eerste geldstroom onder druk

De afgelopen jaren zijn de middelen uit de eerste geldstroom voor het onderzoek steeds meer onder druk komen te staan. Dit heeft een aantal oorzaken.

  • De middelen die universiteiten ontvangen uit de eerste geldstroom voor het onderwijs schieten al jaren tekort. (B. Jongbloed, C. Salerno & F. Kaiser, Kosten per student - Ministerie van OCW, 2004. In 2006 was de eerste geldstroom voor het onderwijs M€ 981,5.) De universiteiten moeten de gaten die zo vallen, vullen met middelen uit de eerste geldstroom voor het onderzoek.
  • Universiteiten hebben drie wettelijke taken: onderwijs, onderzoek en kennisoverdracht. Sinds 1993 wordt de laatste taak niet bekostigd in de eerste geldstroom. (De AWT heeft er onlangs voor gepleit de taak van kennisoverdracht apart te financieren. Zie AWT, Alfa en gamma stralen - Den Haag, 2007) De afgelopen jaren hebben EZ en andere vakdepartementen middelen beschikbaar gesteld voor deze taak. Maar de activiteiten die universiteiten zelf ontwikkelen op dit terrein moeten worden betaald uit de eerste geldstroom voor het onderzoek.
  • In 1995 heeft de overheid het eigendom van de universitaire gebouwen en terreinen overgedragen aan de instellingen. De vergoedingen die zij ontvangen voor het onderhoud schieten echter tekort. (Commissie Koopmans, De vermogenspositite van de universiteiten - Den Haag, 1999) De tekorten die zo ontstaan, kunnen alleen worden opgevuld uit de eerste geldstroom voor het onderzoek.
  • De belangrijkste oorzaak voor het onder druk komen van de eerste geldstroom is de groei van de tweede en derde geldstroom. Deze gaat gepaard met een toenemende vraag naar cofinanciering. Die cofinanciering komt ten laste van de eerste geldstroom.
1992 2006 2006 (M€ van 1992)
omvang 1e geldstroom M€ 938 M€ 1415 M€ 1034
omvang 2e en 3e geldstroom M€ 393 M€ 956 M€ 698
behoefte aan cofinanciering (gebaseerd op het percentage dat het AWT heeft berekend) M€ 330 M€ 803 M€ 587
omvang 1e geldstroom na cofinanciering M€ 608 M€ 612 M€ 447

Al deze factoren bij elkaar zorgen ervoor dat de middelen uit de eerste geldstroom voor het onderzoek steeds verder onder druk komen te staan. Het gevolg is dat universiteiten steeds minder in staat zijn om een brede kennisbasis in stand te houden, om te investeren in grote infrastructuur of de cofinanciering op te brengen van onderzoeksubsidies.

Overheveling

De minister van OCW heeft voorgesteld om de Vernieuwingsimpuls per 2008 uit te bouwen. Hij wil dat doen door M€ 100 over te hevelen uit de eerste naar de tweede geldstroom. De universiteiten hebben protest aangetekend tegen dit voorstel. Niet omdat zij de uitbouw van de Vernieuwingsimpuls onwenselijk vinden. Integendeel, de universiteiten onderschrijven dit doel van ganser harte. Maar zij hebben moeite met een verdere aantasting van de eerste geldstroom. Hoe zit dat?

Een overheveling van de eerste naar de tweede geldstroom reduceert de omvang van de eerste geldstroom op twee manieren. Die wordt kleiner door de overheveling zelf, maar ook doordat het overgehevelde bedrag moet worden gecofinancierd. Nu heeft de minister toegezegd dat de Vernieuwingsimpuls na 2008 ’matchingsvrij’ wordt voor de universiteiten. Dit betekent slechts dat de extra matching die op de Vernieuwingsimpuls zat – 32,4% van de loonkosten – vervalt. Feitelijk wordt de cofinanciering van de Vernieuwingsimpuls hiermee gelijk getrokken met de cofinanciering van de overige tweede en derde geldstroomprojecten. Na 2008 moeten universiteiten bij elke euro subsidie uit de Vernieuwingsimpuls dus € 0,84 toevoegen. De gevolgen daarvan worden zichtbaar in tabel 4: bij een overheveling zou de vrije bestedingsruimte van universiteiten afnemen van M€ 612 naar M€ 428.

voor (2006) na (2008)
omvang 1e geldstroom M€ 1415 M€ 1315
omvang 2e en 3e geldstroom M€ 956 M€ 1056
behoefte aan cofinanciering M€ 803 M€ 887
omvang 1e geldstroom na cofinanciering M€ 612 M€ 428

Deze schoksgewijze verandering zou de universiteiten in grote problemen brengen. Zij zouden per direct moeten stoppen met delen van de activiteiten die nu worden gefinancierd uit de eerste geldstroom voor het onderzoek. Dit zou leiden tot grote ontslagrondes. Daar staat weliswaar een toename van het aantal laureaten van de Vernieuwingsimpuls tegenover. Maar het geld dat wordt verworven met de Vernieuwingsimpuls komt slechts voor een heel klein deel terecht op de plekken waar de ontslagen vallen.

Akkoord

Onlangs hebben minister Plasterk en de universiteiten overleg gevoerd over deze situatie. Dit heeft half september 2007 geresulteerd in een akkoord waarbij de overheveling van M€ 100 van de eerste naar de tweede geldstroom wordt gehandhaafd. De afspraak is dat de overheveling niet meer in één keer wordt voltrokken, maar in vier stappen van elk ongeveer M€ 25. Daarnaast wordt de eerste geldstroom op onderdelen versterkt. Deze veranderingen verzachten de pijn voor de universiteiten.